Nieuws

Europese Erecode inzake Franchising, een lege huls?

Europese Erecode inzake Franchising, een lege huls?

In samenwerking met de Europese Commissie is in 1972 door de Europese Franchise Federatie de Europese Erecode inzake Franchising opgesteld [LINK naar deze code]. Deze erecode is opgesteld om een eerlijke en redelijke relatie tussen franchisenemer en franchisegever te bevorderen en bevat richtlijnen voor de invulling van de franchiserelatie. Franchisegevers die lid zijn van de Nederlandse Franchise Vereniging (NFV) hebben zich aan deze erecode gecommitteerd. Toch is dat geen garantie voor de franchisenemers dat de franchisegever zich eerlijk en redelijk zal opstellen in de franchiserelatie. Dat komt omdat de Erecode geen ‘in rechte afdwingbare verplichtingen’ behelst. Dat betekent dat de Erecode buiten beschouwing moet blijven waar het gaat om de vraag of een franchisegever bijvoorbeeld tekort schiet in de nakoming van de franchiseovereenkomst (wanprestatie). Kortom, de rechter de rechter hecht weinig waarde aan het commitment van de franchisegever aan deze erecode en zal de handelwijze van de franchisegever niet aan de Europese Erecode inzake Franchising toetsen, maar aan de contractuele afspraken en aan de wet.

Laat u als franchisenemer daarom geen zand in de ogen strooien door het commitment van de franchisegever aan de Europese Erecode inzake Franchising, maar zorg dat u – voorafgaand aan het ondertekenen van de overeenkomsten - weet wat op basis van de franchise- en eventuele huurovereenkomst wat de wederzijdse rechten en verplichtingen zijn. Uitsluitend op deze manier kunt u ook uw risico’s op voorhand inschatten.


Prognoses over de omzet- en winstverwachting

De fase waarin u met de franchisegever gesprekken voert over een mogelijke samenwerking, is de zogenaamde pré-contractuele fase. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat op de franchisegever in zijn algemeenheid niet de verplichting rust om de franchisenemer in te lichten over de te verwachten omzet of over de winstverwachting. Een franchisegever die niettemin een rapport aan de franchisenemer verstrekt, dan onder omstandigheden onrechtmatige handelen indien hij weet dat dit rapport ernstige fouten bevat en hij zijn wederpartij (de aspirant franchisenemer) niet op die fouten opmerkzaam heeft gemaakt (Lampenier-arrest van de Hoge Raad van 25 januari 2002 ECLI:NL:HR:2002:AD7329). Uit dit arrest volgt verder dat een franchisegever in het algemeen niet verplicht is een omzet- of winstprognose aan de franchisenemer te verstrekken. Verstrekt de franchisenemer dergelijke prognoses echter wel, dan dienen deze te berusten op een deugdelijk markt- en vestigingsplaatsonderzoek. Daarnaast heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de door een franchisegever verstrekte omzetprognoses niet bepalend zijn voor wat de franchisenemer mag verwachten aan omzet en winst, maar slechts voor wat hij mag verwachten om een goed geïnformeerde beslissing tekunnen nemen over het al dan niet aangaan van een franchiseovereenkomst. De waarheidsplicht van de franchisegever strekt er dus toe om de franchisenemer een beslissing te laten nemen die is gebaseerd op een gedegen voorlichting en daarmee ter voorkoming van een onjuiste voorstelling van zaken bij het aangaan van de franchiseovereenkomst. Tot slot rust op de franchisenemer in beginsel een beperkte eigen onderzoek plicht.

Dit zijn de uitgangspunten die de Rechtbank Noord-Nederland van 15 januari 2014 (ECLI:NL:RBNNE:2914:173) heeft gehanteerd. Ook vindt de Rechtbank het relevant dat de franchisegever pas kort was gestart met zijn formule maar zich wel presenteerde als ervaren en deskundig. De franchisegever hadom die reden juist voorzichtig moeten zijn bij het geven van de prognoses.Deze prognoses bleken ook nog eens fouten te bevatten en daarnaast kreeg de franchisenemer niet de beschikking over de proef- en saldibalans waardoor hij was belet om adequaat eigen onderzoek te verrichten. De Rechtbank oordeelde dat de franchisegever wist, althans hoorde te weten dat de prognoses fouten bevatten en zij had de franchisenemer daarover moeten informeren. De Rechtbank heeft de franchiseovereenkomst vernietigd. Op grond van artikel 6:228 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een overeenkomst die tot stand is gekomen namelijk onder invloed van dwaling en die bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten. Verder heeft de Rechtbank voor recht verklaard dat de franchisegever de schade van de franchisenemer moet vergoeden. Voor de omvang van de schade moeten partijen een zogenaamde schadestaatprocedure opstarten. Omdat een dergelijke procedure ook weer de nodige tijd in beslag neemt, is raadzaam om alvast een voorschot op de schade te vorderen.


Huurbescherming kun je niet wegcontracteren

Niet zelden huurt een franchisenemer de bedrijfsruimte rechtstreeks van de franchisegever, al dan niet in een onderhuurrelatie. Dat is het geval wanneer de franchisegever de bedrijfsruimte zelf van een derde huurt en dus enerzijds hoofdhuurder en anderzijds onderverhuurder is. Een huurder van zogenaamde ‘middenstandsbedrijfsruimte’ (artikel 7:290 Burgerlijk Wetboek) – daaronder valt bijvoorbeeld winkelruimte of een horecapand – wordt door de wet in vergaande mate beschermd. Zo kan de verhuurder de huurovereenkomst uitsluitend opzeggen indien zich één of meer van de in de wet genoemde opzeggingsgronden voordoen, tegen een in de wet genoemd moment en hij overigens alle formaliteiten in acht neemt (artikel 7:293 – 7:296 Burgerlijk Wetboek). Door opzegging eindigt de huurovereenkomst niet. Dat is pas het geval indien de huurder zelf opzegt of indien hij binnen zes weken schriftelijk met de opzegging door de verhuurder instemt. Doet hij dat niet, dan moet de verhuurder een procedure bij de kantonrechter opstarten en vorderen dat de kantonrechter het tijdstip vaststelt waarop de huurovereenkomst eindigt. Of de kantonrechter een dergelijke vordering toewijst, is afhankelijk van het verweer van de huurder.

In de franchise- en/of huurovereenkomst kan niet ten nadele van de huurder van deze huurbescherming worden afgeweken. Dergelijke bepalingen zijn nl. nietig, tenzij de kantonrechter voor de afwijkende bepaling zijn goedkeuring heeft gegeven. De kantonrechter is hiertoe alleen bereid indien de rechten van de huurder niet wezenlijk worden aangetast of diens maatschappelijke positie in vergelijking met die van de verhuurder zodanig is, dat hij geen huurbescherming behoeft. Uit de rechtspraak blijkt dat de kantonrechter niet snel overtuigd is van de aanwezigheid van deze gronden.

In de praktijk worden in franchise- en/of huurovereenkomsten vaak bedingen opgenomen die strijdig zijn met de wettelijke huurbescherming. Dat hoeft u echter niet te accepteren; u kunt zich te allen tijde op de huurbescherming beroepen, tenzij er- zoals gezegd – goedkeuring van de kantonrechter voor de afwijking is verkregen.

Een voorbeeld: voor de franchisegever, die ook het bedrijfspand verhuurt aan zijn franchisenemer, is het van belang dat als de franchiseovereenkomst eindigt, de huurovereenkomst op dezelfde datum eindigt. De situatie dat de franchiseovereenkomst eindigt, maar de franchisenemer op basis van een doorlopende huurovereenkomst in het pand blijft zitten, is voor de franchisegever nadelig omdat hij dan niet (meer) over het verkooppunt kan beschikken terwijl hieraan vaak veel goodwill verbonden is. Daarom worden de franchise- en huurovereenkomst vaak aan elkaar gekoppeld en wordt opgeschreven dat de huurovereenkomst van rechtswege – dus zonder tussenkomst van de kantonrechter - eindigt als de franchiseovereenkomst eindigt. Dat is echter in strijd met de dwingendrechtelijke bepalingen van het huurrecht; in de wet is immers opgenomen dat de huurovereenkomst uitsluitend in geval van één van de wettelijke gronden opgezegd kan worden. Voorts kan uitsluitend de rechter, bij gebreke aan instemming van de huurder, het tijdstip bepalen waarop de huurovereenkomst eindigt.