Nieuws

Miljoenenclaim dreigt voor Olympia Uitzendbureau

Franchisegever Olympia Uitzendbureau (hierna: ‘Olympia’) hangt een miljoenenclaim boven het hoofd nadat het Gerechtshof in Den Haag op 12 januari 2016 uitspraak deed in een langslepend geschil tussen Olympia en één van haar franchisenemers.

In de franchiseovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de franchisenemer een fee verschuldigd is van 33% van de door haar gerealiseerde brutomarge per jaar. Het begrip ‘brutomarge’ is in de franchiseovereenkomst – kort gezegd – gedefinieerd als: het door Olympia aan de inlener van een uitzendkracht gefactureerde uurtarief, verminderd met de kostprijs van de uitzendkracht.

Volgens een in opdracht van Olympia opgesteld rapport van KPMG van 27 juni 2013 heeft Olympia in de jaren 2009 tot en met 2012 ter zake van de kostprijs van uitzendkrachten financiële voorzieningen bij haar franchisenemers in rekening gebracht die hoger waren dan de daadwerkelijk door Olympia gemaakte kosten. Het gaat om bedragen van circa 5 tot ruim 11 miljoen euro per jaar.

Ten onrechte, aldus de franchisenemer. Het was naar haar mening in strijd met de franchiseovereenkomst dat Olympia zich dit niet aangewende deel van de op de omzet ingehouden kostprijs had toegeëigend. Volgens de franchisenemer was zij er vanaf het aangaan van de franchiseovereenkomsten met Olympia van uit gegaan dat met de ingehouden kostprijs de werkelijke kosten per uitzendkracht werden bedoeld en dat de werkelijke kosten op het gefactureerde uurtarief in mindering werden gebracht. Het niet aangewende deel van de ingehouden kostprijs dient volgens de franchisenemer ten bate van de door haar behaalde brutomarge te komen en aan haar te worden uitbetaald.

Het hof volgt de franchisenemer hierin en oordeelt dat de franchisenemer het begrip ‘kostprijs’ redelijkerwijs heeft mogen opvatten als de werkelijke kosten die Olympia voor de bij haar in dienst zijnde uitzendkrachten heeft moeten maken. Voor zover kosten niet reeds op voorhand concreet bepaalpaar zijn, mocht Olympia een redelijke voorziening opnemen en aan haar franchisenemers doorberekenen. Het verschil tussen de gemaakte voorziening en de daadwerkelijke kosten kan Olympia dan verdisconteren in de voor het volgende jaar vast te stellen voorzieningen, aldus het hof. Olympia heeft dat niet gedaan, maar blijkt ieder jaar opnieuw voor miljoenen euro’s te hoge voorzieningen te hebben getroffen (en doorberekend). Dat brengt mee dat het door de franchisenemers meer dan de werkelijke kostprijs betaalde bedrag, is betaald zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestond.

Olympia heeft nog aangevoerd dat zij de ‘efficiencyverschillen’ steeds volledig heeft moeten aanwenden ter dekking van andere kosten en aflossingsverplichtingen. Daarvoor biedt de franchiseovereenkomst volgens het hof echter geen grondslag. Het gaat erom dat delen van het als ‘kostprijs van de uitzendkracht’ in rekening gebrachte bedrag niet voor dat doel zijn aangewend, waarbij niet ter zake doet of deze wellicht voor een ander doel zijn aangewend. Het hof stelt de franchisenemer dan ook in het gelijk en geeft ter overweging voor de schadevaststelling – die zal plaatsvinden in een aparte procedure – mee dat de schade naar haar idee bestaat uit de door de franchisenemer teveel betaalde bedragen.

Aan de hand van deze uitspraak zou de stelling kunnen worden ingenomen, dat een franchisegever bij het doorbelasten van kosten een zekere verantwoording heeft af te leggen over de samenstelling en hoogte van de kosten. In ieder geval volgt uit deze uitspraak dat een franchisegever, indien hij kosten wenst door te belasten, dit niet zonder akkoord van de franchisenemer mag doen.

Bent u franchisenemer van Olympia of bent u anderszins geïnteresseerd naar aanleiding van deze bijdrage, dan kunt u contact met ons opnemen door het sturen van een e-mail: mail@franchise-wijzer.info.